‘Soms weet ik niet goed hoe ik verder moet’

Eveline denkt dat ze in verwachting is van een broertje of zusje voor haar zoon Levi. Als ze met buikpijn bij de gynaecoloog belandt, blijkt ze niet zwanger te zijn, maar krijgt ze te horen dat ze baarmoederhalskanker heeft. Inmiddels is ze uitbehandeld.

“Na de diagnose beland ik als ernstig zieke in heel nieuwe wereld. Een wereld die ik nog niet ken. Ik ben er heel druk mee. In korte tijd ben ik kind aan huis in het ziekenhuis. Ik ervaar het als heel vreemd, echt onwaarschijnlijk vreemd. Hoe kan mij dit overkomen? Dit gaat niet om mij maar om iemand anders. Hoe vaker ik het aan mensen vertel, hoe beter het tot me doordringt, zo is mijn ervaring. Tijdens de chemokuur die volgt, heb ik alle dagen gekookt. Heb me nagenoeg geen dag onwel gevoeld. Ik was wel kaal, maar ik bracht mijn zoon Levi naar school, en dat was eigenlijk het fijnste wat er was. Drie maanden later volgt de operatie. Mijn baarmoeder gaat er uit en dan kan wat ons betreft het echte verwerken beginnen.

Een half jaar later volgt de volgende klap. De kanker is terug. Met het terugkeren van de kanker zijn de overlevingskansen sterk verminderd. Overleven staat nu voorop en kwaliteit van leven is daaraan ondergeschikt geworden. Opnieuw wordt een operatie gepland. En weer slecht nieuws. De tumor is uitgezaaid. Dit is zulk allesbepalend slecht nieuws, dat van enige vorm van genezing geen sprake meer kan zijn. Je kunt dus zeggen dat ik ben uitbehandeld. Ik kan niet meer. Ik wil wel. En ik moet ook voor mijn man Thomas en onze zoon Levi, maar eerlijk gezegd weet ik soms niet goed hoe ik verder moet.

“Ik zou zo graag nog heel veel meer samen willen doen”

Dit gevecht kan ik niet winnen, ik kan niet winnen van het leven zelf en ik ga hieraan dood. ‘Wanneer?’, vragen we aan de oncoloog. Maar ook hij kan er geen uitspraken over doen. Het kan bij wijze van spreken een half jaar zijn, maar wie weet heb ik nog drie jaar te gaan. We weten het gewoon niet. Natuurlijk ben ik daar verdrietig van, maar ik probeer er niet te lang in te blijven hangen. Ik leef nog, dus ik ben ook nog steeds ongeneeslijk vrolijk. Ik lach elke dag. En elke dag geniet ik van de liefde van mijn man en zoon.

Wat ik het ergste vind, is dat een kind doorgaans vanaf vier jaar herinneringen ontwikkelt. En mijn zoon Levi is pas drie jaar. In het slechtste geval ga ik dat niet halen. Toch zal ik er alles aan doen wat in mijn vermogen ligt om te zorgen dat hij die herinneringen wel krijgt. Ik schrijf brieven, ik spreek Levi’s lievelingsboek in, we maken video-opnames, ik heb een knuffel voor hem gebreid en ik heb prachtige manchetknopen gekocht voor op zijn trouwdag. Ik vind het heel erg dat ik afscheid moet nemen van mijn twee grote liefdes: Thomas en Levi. Ik zou zo graag nog heel veel meer samen willen doen, maar het zit er niet in.”

Lees ook: ‘Ik ben bang voor wat er komen gaat’