Mooie herinneringen maken

In haar feuilleton op Niernieuws.nl verwoordt Brenda de Coninck treffend hoe zij in het dagelijks leven omgaat met haar nieraandoening. 
Hoe ga je om met verdriet en afscheid nemen? Als ze in de stad wandelt, komt haar dochter opeens met de vraag ‘Ben jij nooit verdrietig mam?’. Over mooie herinneringen maken gesproken, het feuilleton van Brenda:

Mooie herinneringen maken

‘Ben je nooit verdrietig, mam?’ Haar vraag komt als een verrassing. Wat toevallig, denk ik. Ik heb de afgelopen dagen regelmatig over verdriet en afscheid nemen nagedacht naar aanleiding van twee afleveringen ‘Kijken in de ziel’ van de NPO, over mensen die ongeneeslijk ziek zijn en weten dat ze binnenkort zullen overlijden. En nu komt ze ‘out of the blue’ met deze vraag…

We lopen in de stad waar ze woont, arm in arm. Haar rechterhand leunt in de driehoek van mijn linkerarm. Het is koud buiten. We lopen met dikke jassen aan, mutsen op en sjaals om, terug naar de parkeergarage van een dagje shoppen. Ik weet al wat ik ga antwoorden. ‘Nee, niet echt. Weet je: doodgaan lukt mij wel. Er zijn al een aantal mensen vóór mij gegaan en die is het ook gelukt.’ Ik lach een semi-vrolijk lachje en draai met mijn hoofd naar links, om te kijken hoe ze reageert: ze blikt voor zich uit.

Met dit antwoord blijf ik bewust bij mijn gevoel vandaan. Een mooie oplossing om niet meteen in een emotie te schieten. Want ik mag dan vaak een rationele tante lijken, het gezegde ‘ruwe bolster, blanke pit’ is zeker op mij van toepassing. Laat ik duidelijk zijn: ik hoop hier nog lang te blijven. Mijn kinderen ouder te zien worden, kleinkinderen te verwelkomen. Er is zóveel om voor te leven. Maar ik heb niet alles in de hand. En er staan veel dingen te gebeuren de komende jaren: onderzoeken, wellicht een transplantatie, of dialyseren. En dat brengt risico’s met zich mee.

‘Weet je, lieverd. Ik geloof niet dat het leven stopt als je doodgaat’ zeg ik, terwijl we voor het verkeerslicht staan te wachten om over te kunnen steken. ‘En mocht er niets meer zijn na dit, dan weet ik dat toch niet. Nee: ik ben niet verdrietig. Weet je wat ik het ergste vind aan doodgaan? Jullie te moeten achterlaten. Dat ik je niet meer zal kunnen troosten als je verdrietig bent, mijn armen niet meer om jullie heen kan slaan, niets meer kan zeggen.’ En meteen biggelen een paar tranen over mijn wangen, midden op straat, op de rand van het zebrapad. Want daar kan ik héél verdrietig om worden. Weten dat mijn prachtige gezin intens verdrietig zal zijn als ik niet meer hier ben. En dat ik dan niets zal kunnen doen. ‘Wat is er?’ vraagt mijn man, die met onze oudste voor ons loopt. ‘Och niets, een onderonsje,’ zeg ik zacht. Hij slaat het plaatje even gade en draait zich dan weer om. Geen paniek. Alleen maar even wat emotie.

Terwijl we doorlopen, denk ik aan de uitzendingen die ik heb gezien. In het begin kan ik met afstand kijken en luisteren naar de indrukwekkende verhalen. Bij een filosoof houd ik het nog droog, al kost het wat moeite. Wat hij het ergste vindt aan overlijden, is dat hij dan wordt ‘buitengesloten van informatie’. Dat snap ik, denk ik. Als filosoof is informatie vergaren en overdenken je core business.

En dan komt een prachtige vrouw in beeld. Ongeveer eind dertig, met los vallende bruine krullen en adembenemende ogen. Ze kijken sterk en tegelijkertijd bedroefd de camera in. Ze is getrouwd met haar vrouw en samen hebben ze twee jonge kinderen. Haar kracht en tegelijkertijd hulpeloosheid ontroert mij. Haar vrouw zal alleen achterblijven met twee jonge kinderen. Daarover schrijft ze gedichten, waarvan ze er één voorleest. Het eindigt met: ‘Hoe moet dat nou, jij alleen met de kinderen, en ik aan een spijker aan de muur’. De tranen gutsen daarna over mijn wangen. Dit raakt mij diep. Wat een nachtmerrie.

Soms denk ik: het is maar een vreemde bedoening, het leven. Ik weet niet waarom ik hier ben, waar ik vandaan kom en wanneer ik weer ga. En denk dan regelmatig aan de mensen die ik verloren heb. Hoe ouder ik word, hoe meer er in mijn achterhoofd huizen: opa’s, oma’s, andere familie, vrienden, bekenden. Ik weet dat ze weg zijn, maar voor mij zijn ze er nog. Ik hoef alleen maar aan ze te denken en ik zie ze zó weer voor me. En stiekem dénk ik ook dat ze er nog zijn – wellicht in een andere vorm. Misschien wel meer ‘levend’ dan toen ze nog in hun lichaam zaten. Wie zal het zeggen.

Als ik naar mijn kind kijk, voel ik mij even bedroefd. Er komt een tijd dat ze het zonder mij zal moeten doen. Alles wat ze dan overheeft, is een plekje in haar achterhoofd, waar ik zal rondhuizen. Dan zullen de gesprekken die we hebben gevoerd, de mooie momenten die we met elkaar hebben gedeeld, de liefde tussen ons, haar de kracht geven om door te gaan. Dan hoeft ze alleen maar aan mij te denken en dan ziet ze mij zó weer voor haar.

Misschien is dat wel het doel van het leven: mooie herinneringen maken.

Lees meer van Brenda de Coninck op Niernieuws.nl (het laatste nieuws over nieren en nieraandoeningen).